Posts tonen met het label Octrooirecht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Octrooirecht. Alle posts tonen

donderdag 2 juni 2011

"You want Gucci bag?"

De wenselijkheid van intellectueel eigendomsrechtelijke bescherming tegen namaaktassen


Afbeelding: fashionising.com

Inleiding

Een beetje modekenner herkent in de collecties van H&M, Zara en andere ‘Kalverstraat-winkels’ duidelijk de collecties van de grote modehuizen. Dat huidskleurige colbert lijkt net die van Stella McCartney, die wikkeljurk heeft wel wat weg van een ‘Diane von Furstenbergje’ en zagen we dat bloemetjesprintje niet voorbij komen bij Dolce & Gabbana? Hoewel het namaakgehalte bij kleding nog valt te betwisten, is duidelijk dat de winkelketens zich door de designers lieten inspireren. De crème de la crème van het na-apen is terug te zien in de tassenbranche. Nog meer dan bij kleding wordt er nagemaakt bij designertassen. Zo’n beetje elk merk heeft inmiddels een ‘Chanel 2.55’ in de collectie, beter bekend als een - meestal zwart - schoudertasje met een doorgestikt patroon en een ketting als hengsel. Hoe kan het dat deze producten op de markt kunnen bestaan? Wat kunnen de grote modehuizen beginnen tegen na-apers? En is het wel wenselijk dat bescherming wordt geboden aan grote modehuizen?


In dit artikel wordt de wenselijkheid onderzocht van intellectueel eigendomsrechtelijke bescherming tegen namaaktassen (uitgebreider dan de vorige keer). Eerst zal een onderscheid worden gemaakt tussen verschillende vormen van namaak. Vervolgens zal worden weergegeven welke intellectueel eigendomsrechtelijke bescherming er open staat tegen fake bags. Tot slot wordt gekeken of deze bescherming wel wenselijk is.


Je hebt namaak en je hebt namaak


Dat de ene namaak de andere niet is, kan blijken uit het materiaal en de afwerking van de betreffende tas. Juridisch is het echter interessanter te kijken wat het is dat is nagemaakt. Is dat het logo, de vorm of de print? Om te spreken van namaak in juridische zin is het niet van belang dat de merknaam dan wel het logo daadwerkelijk is overgenomen. Ook een typisch vorm of onderscheidend kenmerk kan een merk zijn. Grofweg zijn er drie types fake bags te onderscheiden:


1 tassen welke claimen van een bepaald merk te zijn door hetzelfde logo te voeren;


2. tassen welke een ander logo voeren; en


3. tassen welke geen logo voeren.


De eerste categorie lijkt wellicht het makkelijkst om aan te pakken, maar gezien het bovengenoemde maakt dit wettelijk geen verschil. Alle vormen van namaak kunnen op grond van art. 2:20 Benelux Verdrag intellectuele eigendom (hierna: BVIE) worden aangepakt, indien zij een overeenstemmend teken voeren die de waren een onderneming onderscheiden. Met andere woorden: tegen een merkloze tas die de typische ‘2.55-kenmerken’ heeft zou Chanel zeker kunnen optreden.


In China en omstreken is men een kei in het namaken van tassen. Naast het gebruiken van echt leer en kleine details veranderen de namakers vaak één letter aan het woordmerk van de oorspronkelijke merkhouder. ‘Chanel’ wordt ‘Channel’ of ‘Calvin Klein’ wordt ‘Cavlin Klien’. Ook wordt soms een letter uit het label geknipt. Dit tevergeefs, omdat hierbij nog steeds bij het publiek verwarring ontstaat, inhoudende het gevaar van associatie met het merk (vlg. art. 2:20 lid 1 sub b BVIE).


Juridische bescherming


Merkenrecht


De hiervoor genoemde bescherming kan de merkhouder toekomen op grond van het merkenrecht. Als merken kunnen onder andere worden beschouwd benamingen, letters, cijfers, vormen en alle andere voor grafische voorstelling vatbare tekens die dienen om de waren van een onderneming te onderscheiden (vlg. art. 2.1 BVIE). Het onderscheidend vermogen moet worden beoordeeld op het moment dat de merkhouder zich op bescherming beroept.[1] Vereist is dat het merk is ingeschreven en – indien nodig – verlengd. Mits het merk onderscheidend vermogen behoudt is de beschermingsduur van een merk middels verlengingen oneindig (vlg. art. 2.9 BVIE).


Auteursrecht


Het auteursrecht beschermt werken op het gebied van letterkunde, wetenschap of kunst. Een tas kan zo een werk zijn, indien die een ‘eigen, oorspronkelijk karakter’ bezit en het ‘persoonlijk stempel van de maker’ draagt.[2] Het eerste criterium vereist dat het werk nieuw was toen het ontstond. Het tweede criterium ziet erop “dat er sprake moet zijn van een vorm die resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus creatieve keuzes, en die aldus voortbrengsel is van de menselijke geest”.[3] Indien een tas wordt nagemaakt, maar daarbij enkele dingen worden veranderd, kan er sprake zijn van andere keuzes. Hiermee kan een wederom een nieuw werk zijn ontstaan (vlg. art. 10 lid 2 Auteurswet). De namaker zal echter vaak proberen de replica zo veel mogelijk hetzelfde te maken als het oorspronkelijke werk. In dat geval lijkt bescherming op grond van het auteursrecht makkelijk in te roepen.


Bescherming op grond van de Auteurswet kan worden ingeroepen tot 70 jaar na het overlijden van de maker van het werk (vlg. art. 37 Auteurswet).


Modellenrecht

Het model van een tas kan worden beschermd voor zover het model nieuw is en een eigen karakter heeft (vlg. art. 3.1 BVIE). Een model is niet nieuw indien de kenmerken ervan slechts in onbelangrijke details verschillen ten opzichte van het reeds bestaande model. Een model wordt geacht een eigen karakter te hebben, indien de algemene indruk die dit model bij de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die bij de gebruiker wordt gewekt door modellen die voor het publiek beschikbaar zijn gesteld voor de datum van depot (vlg. art. 3.3 BVIE). Een modelrecht heeft een maximale geldigheidsduur van 25 jaar (vlg. art. 3.14 BVIE).


Octrooirecht


Hoewel het minder voor de hand ligt dan voorgaande IE-rechten, kan ook het octrooirecht een uitkomst bieden. Vatbaar voor octrooi zijn uitvindingen op alle gebieden van de technologie die nieuw zijn, op uitvinderswerkzaamheid berusten en toegepast kunnen worden op het gebied van de nijverheid (vlg. art. 2 Rijksoctrooiwet). Te denken valt hierbij bijvoorbeeld aan een technische sluiting van een tas. Het octrooirecht geldt maximaal twintig jaar (vlg art. 36 lid 6 Rijksoctrooiwet).


N.B. Om internationaal bescherming te genieten, bijvoorbeeld tegen de namaak-handel in China, zullen (Europese) designers verder moeten hebben gekeken dan bovenstaande regelgeving. Merkenrechtelijk is er een internationaal merk aan te vragen middels de Schikking van Madrid. Ten aanzien van het auteursrecht, het modellenrecht en het octrooirecht gelden respectievelijk de Berner Conventie, de Overeenkomst van ’s-Gravenhage en de Patent Cooperation Treaty.

Valkuilen

Geen bescherming (meer)


Het aanschaffen van een Hermès Birkin-bag van 10.000 euro mag dan vrij bijzonder zijn; de tas an sich is dat niet bepaald. Weinig tierlantijn en een weinig afwijkende vorm. De meest gewilde tas op aarde is gewoon rechthoekig en lijkt eigenlijk best veel op de Bayswater van Mulberry. En laat een tas die niet onderscheidend (meer) is, niet nieuw en origineel is, en geen andere totaalindruk wekt dan reeds voor het publiek beschikbaar gestelde tassen, nou niet (meer) voor IE-rechtelijke bescherming in aanmerking komen.


Daarbij komt ook dat de tassen die het meest nagemaakt worden klassieke tassen zijn. Ik noem een Chanel 2.55 en een (alweer) Hermès Birkin. Mocht eerstgenoemde al IE-bescherming zijn toegekomen, dan is het de vraag of zij nu nog beschermd wordt. De Chanel 2.55 stamt uit 1955. Enige model- of octrooirechtelijke bescherming zou reeds zijn vervallen. Het merkenrecht zou een uitkomst kunnen bieden, indien de Chanel 2.55 nog steeds onderscheidend vermogen toekomt. Met de talloze replica’s in omloop, is dat nog maar de vraag. Het vangnet zou hem in het auteursrecht kunnen zitten. Nu dit recht bescherming biedt tot 70 jaar na de dood van de maker, zou de Chanel 2.55 hiermee gered kunnen worden. Coco Chanel overleed immers in 1971. Een eventueel auteursrecht zal pas in 2041 aflopen.

Hermès zit in hetzelfde schuitje. Nu de eerste Birkin-bag in 1984 werd gemaakt, gebaseerd op een model uit 1982, is enig model- dan wel octrooirecht reeds komen te vervallen. De vraag is hier wederom of de tas auteursrechtelijke bescherming toekomt en/of de Birkin nog steeds onderscheidend vermogen bezit. Beschermen is zo makkelijk nog niet.

Slaafse nabootsing
Indien tassen niet (meer) beschermd kunnen worden tegen namaak op grond van enig IE-recht,
is het de vraag of nog een beroep kan worden gedaan op slaafse nabootsing. Slaafse nabootsing is
een vorm van ongeoorloofde mededinging, gebaseerd op de onrechtmatige daad (vlg. art. 6:162
BW). Voorwaarde voor slaafse nabootsing is dat het nagebootste product eerder was en een
onderscheidend karakter bezit. Ook mag de replica geen nodeloos verwarringsgevaar wekken.
Verwarringsgevaar is nodeloos indien er zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid en
bruikbaarheid een andere vorm kon worden gekozen.[4] Slaafse nabootsing biedt een
soortgelijke bescherming als de intellectuele eigendomsrechten. Echter, wanneer die laatste
bescherming niet meer opgaat, komt het nagebootste product op grond van de negatieve
reflexwerking vaak ook geen vervangende bescherming meer toe.[5] Negatieve reflexwerking
houdt in dat indien geen ie-bescherming kan worden ingeroepen, dat vaak met zich meebrengt
dat een beroep op slaafse nabootsing ook geen kans van slagen heeft. Slaafse nabootsing kan een
bescherming bieden die soortgelijk is als die op grond van de ie-rechten. Hiermee wordt beoogd
geen eindeloos monopolie te verlenen.[6]
Uitputting

Uitputting houdt in dat wanneer een product eenmaal met toestemming van de gerechtigde op de markt is gebracht, deze vrijelijk verder kan worden verhandeld. Indien dat dus in Turkije is gebeurd, kan er na import in Nederland meer weinig tegen gedaan worden. Nationale uitputtingsregels zijn namelijk ook in buitenland toepasbaar.[7]


Solving the problem?


Is het wenselijk om aan designers intellectueel eigendomsrechtelijke bescherming te verlenen tegen namaaktassen? Naar mijn mening zijn designers en ‘namakers’ geen concurrenten. Een potentiële koper van een Chanel 2.55 verandert echt niet van mening door het zien van een replica voor een fractie van de prijs. Wie een designerstas wilt, koopt simpelweg een designertas. Intellectueel eigendom vormt een uitzondering op de vrije mededinging.[8] Moet de markt in dit geval niet weer worden opengegooid, nu de concurrentie niet in het geding is? Echter, de talloze fake bags tasten wel de exclusiviteit van een designertas aan. En laat dit tegengaan nu juist ook de ratio van het intellectuele eigendomsrecht zijn.[9]


Conclusie


Dat designers worden nageaapt is een feit. De grootste namaakmarkt richt zich op tassen. Hoe kan het dat deze fake bags kunnen bestaan? Kunnen designers zich hier tegen beschermen?


Er zijn verschillende juridische beschermingsmogelijkheden. Indien het merk van de merkhouder wordt gebruikt kan het merkenrecht een uitkomst bieden. De vormgeving kan worden beschermd door middel van het modellenrecht. Is de na te maken tas een werk in de zin van de Auteurswet, dan kan bescherming worden ingeroepen op grond van het auteursrecht. Uitvindingen om en aan een designertas kunnen worden beschermd door het octrooirecht.


Veel designertassen zijn echter niet onderscheidend, nieuw, origineel en wekken geen andere totaalindruk dan reeds voor het publiek beschikbaar gestelde tassen. Deze tassen kunnen niet IE-rechtelijk worden beschermd. Klassieke tassen als de Chanel 2.55 en de Hermès Birkin komt nog maar beperkte bescherming toe, nu een model- en octrooirecht slechts maximaal vijfentwintig respectievelijk twintig jaar voortduurt. Een beroep op slaafse nabootsing heeft in beide gevallen nog weinig kans van slagen, doordat het gebrek aan IE-rechtelijke bescherming voor een negatieve reflexwerking zorgt.


Ook worden veel fake bags geïmporteerd uit het buitenland. Dit brengt met zich mee dat de IE-rechten die (nog) gelden worden uitgeput. Met andere woorden: doordat de tas eenmaal rechtmatig op de markt is gebracht, kan deze daarna vrijelijk worden verhandeld.


Echter, is het wel wenselijk dat designers bescherming zouden kunnen inroepen tegen namaaktassen? Moet de vrije markt in dit geval weer worden geopend? Mensen die 10.000 euro willen neertellen voor een Birkin-bag, zullen niet snel op de markt een namaakexemplaar van vijf euro kopen. Designers en namakers lijken geen concurrenten te zijn. De vele replica’s tasten daarentegen wel de exclusiviteit van de designertassen aan. Hoe dit probleem nu opgelost wordt? Wie het weet mag het zeggen! Tot ik een succesvol advocaat ben hoop ik het in ieder geval nog even met mijn Birkin uit Hong Kong te kunnen doen.









[1] BenGH 19 december 1997, BIE 1998, 227 (Beaphar/Nederma).



[2] HR 4 januari 1991, NJ 1991, 608 (Van Dale/Romme).



[3] HR 30 mei 2008, NJ 2008, 311, LJN BC5012 (Endstra-tapes).



[4] HR 26 juni 1953, NJ 1954, 90 (Hijskraan).



[5] HR 27 juni 1986, NJ 1987, 191 (Holland Nautic/Decca).



[6] HR 20 november 2009, LJN: BJ6999, BIE 2010/1 (Lego/Mega Brands).



[7] HvJEG 16 juli 1998, zaak C-355/96 (Silhouette/Hartlauer).



[8] Van Engelen, Prestatiebescherming en ongeschreven intellectueeleigendomsrechten, Zwolle 1994, p. 167.



[9] Ch. Chielen e.a., Kort begrip van het intellectuele eigendomsrecht, Deventer: Kluwer 2007, p. 3.



dinsdag 22 maart 2011

Can a price ever be fair?


Illustratie: medischeethiek.blogse.nl

Na een college van mr Hugenholtz was ik al vrij geïnteresseerd geraakt in het onderwerp, maar na ook nog de literatuur te hebben gelezen was ik echt enthousiast. Toegang tot medicijnen in ontwikkelingslanden: een - natuurlijk - juridisch onderwerp waar iedereen van moet weten.

De vraag is of een ieder recht heeft op geneeskundige verzorging. In theorie wel, namelijk op grond van art. 25 van het EVRM. Maar wat nu als het een typische derde wereld-ziekte in een ontwikkelingsland bertreft en het medicijn zich in de westerse wereld bevindt?

In principe zijn er dan licenties afdwingbaar. Medicijnen zijn vaak in beginsel geoctrooieerd. Zo kunnen onderzoekers hun investeringen terug verdienen. Bij dwanglicenties moeten de medicijnen gedwongen naar het ontwikkelingsland in kwestie worden gezonden. Er is dan wel een verplichting tot onderhandelen over een redelijke prijs.

Wat nu bij overstromingen, epidemieën of andere ongein? Indien er sprake is van een noodtoestand gaat het allemaal nog een stukje makkelijker. Er hoeft dan gelukkig niet eerst verplicht te worden onderhandeld tot een acceptabel akkoord.

Overigens wel dubieus dat het ontwikkelingsland zelf bepaalt of het om een noodtoestand gaat. Ook gaan dwanglicenties vaak over binnenlandse partijen. Als een ontwikkelingsland geen eigen fabrikant heeft doet er zich dan een probleem voor, aangezien er een partij in het buitenland moet worden aangesproken.

Bob Rientjes zet in zijn artikel over dit onderwerp een ander groot vraagteken. Het ontwikkelen van medicijnen voor typische ontwikkelingsland-ziekten is minder aantrekkelijk, nu er voor dit soort landen vaak slechts een redelijke vergoeding wordt geboden. Met dit bedrag kunnen octrooihouders niet genoeg terug verdienen om in dit soort medicijnen te investeren. Jaarlijks worden miljoenen in de ziektebestrijding gepompt, maar slechts een zeer klein deel ziet op de ontwikkeling van medicijnen voor derde wereld-ziekten. Er is dan ook meer politieke wil vereist om de gezondheidsproblemen van de derde wereld op te lossen.

Natuurlijk is het onmogelijk medicijnen gratis te maken voor ontwikkelingslanden. Zonder geld zouden de medicijnen niet eens ontwikkeld zijn. Toch blijft het vreemd te beseffen dat een mensenrecht als dat in art. 25 EVRM in feite niet absoluut is. Het is afhankelijk van geld. Het is bizar dat er mensen dood gaan terwijl daarvoor medicijnen (mogelijk) zijn. Al gebeurt dat natuurlijk ook met voeding. Er is genoeg eten op de wereld, meer dan genoeg zelfs, maar toch lijden er dagelijks mensen honger. Het is oneerlijk, maar ik weet niet hoe het anders zou moeten.

dinsdag 15 februari 2011

Always Coca Cola


Foto: youtube.com (klik voor het filmpje)

'Geheim recept Coca Cola ontdekt', zo luidde de kop van een artikel op NOS.nl vandaag. Zal dit het einde betekenen van het cola-monopolie van Coca Cola?

Het recept van Coca Cola is nooit juridisch beschermd. Smaken komen niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking. Wordt met het recept van Coca Cola de woorden in het recept of de smaaksensatie bedoeld? Daarnaast is een smaak subjectief en moeilijk vorm te geven. Een proefmonster doet hier niet aan af.

Coca Cola zou misschien als uitvinding kunnen zijn beschouwd. In dat geval had het een octrooirecht kunnen toekomen. Echter, meneer Coca Cola heeft daar nooit voor gekozen, omdat een octrooirecht slechts twintig jaar duurt. Met de vestiging van een octooirecht wordt ook de theorie over de uitvinding vrijgegeven. Indien Coca Cola werd beschermd door een octrooirecht zou jaren geleden dus al het recept zijn bekend geworden, en daarmee Coca Cola 'nagemaakt' zijn.

In theorie had iemand ook het recept kunnen raden. Op die manier zou de nagemaakte (smaak van) Coca Cola dan rechtmatig kunnen zijn verkocht. Voorwaarde is wel dat de verkoper niet deed alsof-ie 'echte' Coca Cola verkocht, aangezien dit in strijd zou zijn geweest met het merkenrecht.

Nu het recept bekend is, zou dit laatste kunnen gebeuren. Ik verwacht echter dat de rechtmatige namaker niet ver zal komen. Coca Cola is meer dan een smaak (en een merk) alleen. Coca Cola is het bekendste drank ter wereld en heeft inmiddels dan ook een flinke dosis 'goodwill' opgebouwd. Mensen kopen Coca Cola niet alleen voor de smaak, maar ook voor het gevoel. Waarom anders wil ik zo graag een Chanel 2.55 en niet een replica, die daar zo veel op lijkt?

maandag 29 november 2010

Parfumparty: een juridisch feest


Foto: hoogenhaak.nl

Laatst werd ik uitgenodigd voor een Parfumparty. Tupperware-achtig, maar dan met luchtjes. Helaas kon ik niet aanwezig zijn, maar mijn juridische radar vierde wel feest: de uitnodiging barstte van de intellectuele eigendomsrechtelijke vraagstukken. Dit stond er in:

De parfum van FM Group (www.fmgroup.be) komt uit dezelfde fabriek als de parfum die jij bij de ici paris of douglas enz. koopt. Alleen de parfum zit in een standaard flesje en doosje. Ze hebben geen dure winkel of reclames met modellen die ze in moeten huren. En verder zit er op de NAAM van de parfum (bijv. Gucci/ Hugo Boss) alleenrecht (patent) wat veel geld kost. Ongeveer 30procent van het flesje parfum in de winkel betaal je voor dat alleenrecht. De parfums bij FM Group zijn daarom genummerd en dat nummer staat op het flesje wat
je koopt. Er zijn folders (zie bijlage) waarbij je wel de namen van de parfums ziet, en welk nummer daaraan gekoppeld is. Op de GEUR zit namelijk geen alleenrecht. Zo kan je op parfum dus een hoop geld besparen en het luchtje is identiek aan hetgeen wat je bij ici paris zou kopen. Ze verkopen niet alleen parfum, maar nog veel meer (geparfumeerde) producten, zie de bijlage! (De roodgekleurde geuren zijn onze nieuwste geuren in het assortiment!)

Waar ik als ie-jurist in spe vraagtekens bij zet:

1. Komen de luchtjes uit dezelfde fabriek als de parfum van Ici Paris en Douglas?
2. De luchtjes van FM group zitten in een 'standaard flesje en doosje'. Het auteursrecht daarop wordt dus in ieder geval niet geschonden.
3. Op de naam (een merk) zit wel alleenrecht, maar krachtens het merkenrecht. Een octrooirecht, patent in de volksmond, rust op een uitvinding. Een merknaam is dat niet. Met alleenrecht wordt bedoeld dat de merkhouder als enige het recht toekomt dat merk te voeren.
4. Waaruit blijkt dat het 'alleenrecht' 30% kost van de prijs van 'parfum in de winkel'?
5. Op de lijst kun je zien op welk parfummerk het luchtje is 'geïnspireerd'. Sprake van onrechtmatige slaafse nabootsing, dan wel een andere vorm van ongeoorloofde mededinging?
6. Zit er op een geur geen alleenrecht? Onduidelijk is of FM group met alleenrecht nu een merkrecht of octrooi bedoelt. In dat geval moet eerst worden uitgesloten of er een geurmerk respectievelijk octrooirecht op een geur kan bestaan. De Hoge Raad heeft in ieder geval wél geoordeeld dat er auteursrecht op een geur kan bestaan. FM group kan dan niet zo maar de betreffende geur gebruiken.
7. Er wordt gesproken van een 'identieke' geur. Inbreuk op auteursrecht (of een merk- of octrooirecht) ligt voor de hand. Onrechtmatige slaafse nabootsing wordt hiermee echt aannemelijk gemaakt, daar FM group het vereiste verwarringsgevaar zelfs bewust in de hand werkt. Dat de luchtjes van FM group opvallend goedkoper zijn staat dit verwarringsgevaar niet in de weg.
8. Hoe kun je spreken van 'onze nieuwste' geuren als aan 'nieuwheid' duidelijk niet is voldaan en FM group zich daarvan bewust lijkt te zijn?

Maar de allergrootste vraag die ik toch wel wil stellen is de volgende. Hoe kan het dat FM group zich nog steeds op deze manier voortzet? Heeft iemand wel eens juridische stappen ondernomen tegen FM group?

Waar ik als voormalig Taal&Communicatie-student vraagtekens bij zet laat ik buiten beschouwing. En, ik weet dat het makkelijker is kritisch te zijn dan een goedlopend parfumbedrijfje op te zetten. Misschien eens een jurist om advies vragen?

zondag 10 oktober 2010

Het Slechtste Idee van Nederland



Gister zapte ik langs Het Beste Idee van Nederland. Het televisieprogramma van SBS bestaat natuurlijk al jaren, maar het was pas gister dat er een juridisch belletje bij me ging rinkelen. "In dit televisieprogramma krijgen mensen de kans om een nieuw idee of uitvinding te verzinnen en te gaan ontwikkelen. Deze mogen ze vervolgens presenteren aan een jury. Het idee dat wordt gekozen als Het Beste Idee van Nederland wordt uitgevoerd.", zo lees ik op het internet. Grappig dat ze het programma een kans voor de deelnemers noemen. Want wie is straks de octrooihouder als het idee echt een succes wordt?

De deelnemer met het beste idee wint ook een geldprijs van 25.000 euro. Lijkt inderdaad een kans, maar is er in feite geen sprake van exploitatie van collectieve intelligentie? Het doel van Het Beste Idee van Nederland is niet kansen bieden aan de deelnemers, maar het vergaren van kennis door SBS. Dit jaar is Het Beste Idee van Nederland zelfs op zoek naar mensen die een oplossing bieden voor een structureel probleem tegen afval. Als dat niet makkelijk is?! Bovendien kunnen voor niet-winnende uitvindingen direct door slimme kijkers octrooien worden aangevraagd. Maken de deelnemers dus ook niet nog eens slapende honden wakker?

Op de website van SBS staat niets over het octrooirecht. Willen zij ook geen slapende honden wakker maken? Betalen zij de winnaar 25.000 euro voor het idee, waarna zij zelf - als het goed is - kunnen cashen met hun monopolie? Ik hoop dat naïeve deelnemers hierdoor in ieder geval uit hun droom zijn ontwaakt.

woensdag 15 september 2010

What else?



'Nespresso. What else?' is een slogan die iedereen kent. En wie eenmaal een kopje gedronken heeft snapt wat ermee bedoeld wordt. Geen andere koffie is lekkerder dan Nespresso. Maar ís er wel andere koffie, vergelijkbaar met Nespresso?

Slimmer dan vergane glorie-koffie Senseo is Nespresso geweest met het beschermen van hun systeem. Op de speciaal ontwikkelde metalen koffie cups, waar de koffie alleen met negentien bar doorheen kan worden gepompt, is octrooirecht gevestigd. Een octrooi is een exclusief recht tot het maken of verkopen van een product. Nespresso is dus de enige die de cupjes maakt en verkoopt. In Amsterdam gebeurt dat in de Bijenkorf en de P.C. Hooftstraat (over exclusief gesproken). Hebben wij als koffieliefhebber dan wel een alternatief?

Alleen ondernemers die het octrooirecht zouden omzeilen, kunnen de concurrentiestrijd aan gaan met Nespresso. Anders is het wachten tot het octrooi afloopt. Wanneer dat precies zal zijn is onduidelijk. Er schijnen gedurende verschilende jaren zo'n 1.700 octrooien te zijn gevestigd, welke allemaal na maximaal twintig jaar aflopen. Rumor has it dat dit binnenkort zal zijn, maar dat maakt Nespresso niet bang: "we verkopen immers de beste koffie ter wereld, daar kan niemand tegenop."

En als Nespresso dán gedronken wordt omdat ze de lekkerste zijn, in plaats van de enige, dan moet George Clooney misschien maar bescherming voor zijn slogan gaan aanvragen...